Het combineren van beelden en woorden, waardoor je het beter onthoudt. 

Het werkgeheugen bestaat uit twee cognitieve werkruimtes: de codeert en verwerkt beelden en gebeurtenissen (non-verbale informatie) terwijl de andere dat doet met taal (verbale informatie). Door beide werkgeheugen aan te spreken, verwerk je het dubbel zo sterk. Vervolgens wordt verbale en non-verbale (visuele) informatie afzonderlijk opgeslagen in het langetermijngeheugen. Deze twee systemen zijn verbonden: zo kun je aan een beeld van een ‘boom’ denken en deze beschrijven of over een boom lezen en er een beeld van vormen. Daarbij zijn beelden krachtiger: geschreven of gesproken tekst wordt één keer opgeslagen, maar bij plaatjes van woorden gebeurt dat twee keer; verbaal én visueel (Paivio et al., 1994, p. 1196). Door informatie op twee manieren aan te bieden (verbaal en visueel), komt het op beide manieren de hersenen binnen, waardoor het dus dubbel en daardoor beter wordt opgeslagen in het langetermijngeheugen.

Hier kun je als docent bij ondersteunen door bijvoorbeeld moeilijke begrippen te verduidelijken met afbeeldingen, door leerlingen informatie te laten visualiseren (zie gebruik plaatjes en icoontjes) of door afbeeldingen mondeling toe te lichten (en niet tekstueel), omdat je anders het brein overbelast (zie Cognitive Load Theory).

Poster

Klik om te vergroten.