Er is geen bewijs dat jongens en meisjes verschillende hersenen hebben dus ergens anders goed in zijn. 

Meisjes presteren op school beter dan jongens, maar dat ligt niet aan een verschil in ontwikkeling van de hersenen. Al hoewel jongens grotere hersenen hebben, heeft dat niets met intelligentie te maken. Als het op de hersenen aankomt, zouden jongens en meisjes dus even goed kunnen worden in precies dezelfde dingen. Het verschil in prestaties, bijvoorbeeld dat jongens beter zijn in wiskunde en meisjes beter in taal, lijkt vooral te komen door een verschil in training, concentratie en vooral zelfvertrouwen.

Zo hebben jongens al vanaf de peutertijd een voorkeur voor bouwen en construeren. En ze hebben al op jonge leeftijd meer ervaring in het exploreren van de omgeving. Dergelijke activiteiten vereisen een goed ruimtelijk denken en redeneren en het vermogen om ruimtelijke relaties in te schatten. Omdat jongens meer ervaring hebben in het ruimtelijk redeneren zijn ze wat eerder dan meisjes in de ontwikkeling van vaardigheden waarvan bekend is dat ze belangrijk zijn voor leren op gebied van rekenen, wiskunde en techniek.